Infectieziekten Bulletin, september 2026
Auteurs
Auteurs: Timmermans, A.I.1, van den Brink, L.1, ter Horst A.H.1, Joustra A.1, Tiesema L.1, van Wijk F.M.1, Imkamp K.1, Hooiveld M.2, Coyer L.1, Fanoy E.1, Mackenbach K.1
Affiliaties
- Team Infectieziektebestrijding, (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) regio Utrecht, De Dreef 5, 3706 BR Zeist
- Nivel, Otterstraat 118, 3513 CR Utrecht
Inleiding
Scabiës, ook wel schurft genoemd, is een huidaandoening bij de mens die wordt veroorzaakt door de schurftmijt Sarcoptes scabiei var hominis. De schurftmijten zijn 0,2-0,4 mm groot en niet zichtbaar met het blote oog (1). Scabiës wordt gekenmerkt door jeuk, vooral in de avond en nacht, gangetjes in de huid, gegraven door de vrouwelijke mijt, en bultjes op voorkeursplaatsen zoals tussen de vingers, aan de zijkanten en plooien van de handpalmen, polsen, ellebogen, voetrand, enkel en wreef (1).
Scabiës wordt voornamelijk overgedragen door langdurig direct huid-op-huidcontact. Daarnaast is overdracht via gedeelde stoffen voorwerpen zoals kleding, handdoeken of beddengoed ook mogelijk (2). Omdat het 2 tot 6 weken kan duren voordat klachten ontstaan, terwijl iemand wel al besmettelijk kan zijn, kan transmissie relatief gemakkelijk optreden binnen groepen met intensief lichamelijk contact (1).
Internationale en landelijke trends
In verschillende Europese artikelen, waaronder een Nederlands artikel, is de afgelopen jaren een duidelijke toename van scabiësgevallen gerapporteerd (3, 4). Zo concludeert onderzoek in Noorwegen dat het aantal consulten bij huisartsen en dermatologen voor scabiës tussen 2006 en 2018 sterk is toegenomen, vooral in de leeftijdscategorie 15 – 29 jaar (5). In Duitsland is het aantal gerapporteerde scabiësgevallen bij huisartsen verviervoudigd tussen 2012 en 2017, voornamelijk onder de leeftijdscategorie 15 – 24 jaar (6). Vergelijkbare trends zijn gerapporteerd in Spanje (7) en België (8), maar in deze studies is weinig tot geen onderscheid gemaakt tussen leeftijdsgroepen.
Ook in Nederland was er tot 2024 sprake van een duidelijke toename. Dit blijkt onder andere uit het stijgende aantal verstrekkingen van permetrine, ivermectine en benzylbenzoaat, middelen voor scabiësbehandeling, tot 2023 (bijlage 1). Na 2023 is een daling in verstrekking zichtbaar (Stichting Farmaceutische Kengetallen, persoonlijke communicatie, 30-03-2026).
Bijlage 1: Aantal verstrekkingen van benzylbenzoaat, ivermectine en permetrine per jaar, 2019-2025, Nederland (Stichting Farmaceutische Kengetallen, persoonlijke communicatie, 30-03-2026)
Signalen vanuit (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) regio Utrecht
Binnen GGD regio Utrecht is tot 2024 eveneens een toename zichtbaar geweest in het aantal binnengekomen vragen (geregistreerd als “enquiries”) van burgers en instellingen over scabiës (figuur 2).
Figuur 2: Aantal geregistreerde vragen (enquiries) over scabiës per maand van januari 2019 t/m maart 2025, regio Utrecht (GGD regio Utrecht, 2026).
*jaar niet compleet
Uit cijfers van Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn (figuur 3) blijkt dat de incidentie van scabiës onder patiënten van huisartsen het hoogst is in de leeftijdscategorie 20 – 24 jaar, gevolgd door 15 – 19 jaar en 25 – 29 jaar (9). De daling in het aantal huisartsconsulten tussen 2023 en 2024 lijkt zich voornamelijk in deze jongvolwassen leeftijdsgroepen (20 – 24 en 25 – 29 jaar) voor te doen. Opvallend is dat tussen 2023 – 2024 in andere leeftijdsgroepen de stijgende trend wel doorzette, al dan niet iets minder hard dan in eerdere jaren (9). In de leeftijdsgroepen onder 35 jaar was deze stijging vooral zichtbaar onder kinderen van 5 – 9 jaar.
Figuur 3: Incidentie van scabiës bij patiënten <35 jaar in de Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn per jaar van 2019 t/m 2024, Nederland (9).
Aanvullend hierop: waar signalen voorheen voornamelijk betrekking hadden op jongvolwassenen, ontstond bij GGD regio Utrecht de indruk dat in de afgelopen jaren vooral het aantal meldingen vanuit kinderdagopvanglocaties en basisscholen is toegenomen. Deze instellingen zijn sinds 2008 verplicht op grond van Artikel 26 van de Wet Publieke Gezondheid om bij één of meer (vermoedelijke) gevallen van scabiës een melding te doen bij de GGD (10). Het is echter onduidelijk of deze indruk wordt ondersteund door registratiegegevens en of er dus daadwerkelijk sprake is van een toename van meldingen binnen deze instellingen.
Doel en onderzoeksvragen
Aangezien er tot op heden beperkte literatuur beschikbaar is over scabiës op kinderdagopvanglocaties en basisscholen, had dit onderzoek als doel inzicht te geven in de incidentie en trends van scabiës binnen deze instellingen in GGD regio Utrecht, inclusief het vaststellen van toename in meldingen, de mate waarin deze wijzen op uitbraken en het verloop daarvan. Daarnaast beoogde het onderzoek knelpunten en verbeterpunten in de praktijk te identificeren, met als doel de signalering, aanpak en monitoring rondom artikel 26-meldingen te versterken.
Methode
Voor dit onderzoek is een retrospectieve beschrijvende analyse uitgevoerd van meldingen die zijn geregistreerd in het registratiesysteem HPZone, dat binnen GGD regio Utrecht wordt gebruikt voor de afhandeling van meldingen van infectieziekten. De analyse omvatte meldingen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 13 maart 2025 die betrekking hadden op (vermoedelijke) uitbraken van scabiës in kinderopvanglocaties (kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang) en basisscholen.
Registratiesysteem en casusdefinities
Een scabiësmelding kan zowel een klinisch verdachte, als een diagnostisch bevestigde scabiëspatiënt betreffen en kan meerdere personen omvatten: de index en mogelijke secundaire gevallen (personen die besmet raken door het primaire geval). In HPZone worden meldingen van scabiës gecategoriseerd als:
- outbreak: samenhangende gevallen met een bevestigd epidemiologisch verband;
- cluster: samenhangende gevallen zonder volledig vastgesteld epidemiologisch verband;
- issue: een algemene melding zonder vastgesteld verband tussen gevallen.
Hoewel issues formeel niet bedoeld zijn voor het registreren van artikel 26-scabiës meldingen, zijn zij in de praktijk toch gebruikt voor het registreren van deze meldingen. Omdat deze issues relevante informatie bevatten voor het onderzoek, zijn deze issues alsnog meegenomen in de analyse.
Selectie van meldingen
Alle outbreaks, clusters en issues in HPzone in de periode van 1 januari 2019 tot en met 13 maart 2025 zijn gescreend op geschiktheid (zie tabel 1 voor criteria). Deze periode is gekozen, vanaf de start van data-extractie op 14 maart 2025, om zoveel mogelijk relevante gegevens in het onderzoek mee te nemen. Voor outbreaks en clusters kon in HPZone direct worden gefilterd op de juiste setting (kinderopvang of basisonderwijs). Voor issues bestaan deze filteropties niet: deze meldingen zijn daarom handmatig beoordeeld om te bepalen of zij vallen binnen de inclusiecriteria. Dubbele registraties zijn verwijderd, zodat elke uitbraak/cluster slechts één keer meetelt.
| Inclusiecriteria | Exclusiecriteria |
|---|---|
| Artikel 26-meldingen met betrekking tot scabiës | Andere artikel 26 meldingen die geen betrekking hadden op scabiës |
| Outbreaks, Clusters en Issues geregistreerd in HPZone tussen 1 januari 2019 en 13 maart 2025 | Outbreaks, clusters en issues buiten deze periode |
| Meldingen afkomstig van kinderdagopvanglocaties (inclusief kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang) en basisscholen (inclusief speciaal onderwijs) | Meldingen afkomstig van andere partijen (bijv. verpleeghuizen, middelbare scholen of gezinnen) |
De meldingen zijn beoordeeld door vijf onderzoekers. Per melding werd door één onderzoeker een gestandaardiseerde vragenlijst ingevuld op basis van het dossier. Onvolledige of onduidelijke registraties zijn gezamenlijk besproken en waar mogelijk aangevuld. De vragenlijst bevatte onder meer gegevens over het type instelling, de meldingsdatum, het aantal betrokken personen (index en secundaire gevallen) en de duur van de monitoring. Daarnaast werd vastgelegd wie de index was (kind of medewerker), hoeveel scabiësgevallen binnen de instelling werden vastgesteld en wat de datum van eerste klachten was. Ook werden gegevens verzameld over diagnostiek (type onderzoek, behandelaar en uitslag) en behandeling (voorgeschreven medicatie, behandeling van nauwe contacten). Ten slotte zijn gegevens verzameld over het handelingsperspectief van de GGD, waaronder eventuele verwijzing, gegeven adviezen, het optreden van secundaire gevallen tijdens monitoring (het volgen van ontwikkelingen in een situatie) en het voorkomen van recidief. De gegevens zijn verzameld in Google Forms en geanalyseerd en gevisualiseerd met R (11).
Resultaten
We identificeerden in HPZone in totaal 317 scabiës-meldingen in de periode van januari 2019 tot en met 13 maart 2025. Na het uitsluiten van meldingen die niet aan de inclusiecriteria voldeden, bleven 176 (56%) meldingen over voor invulling van de gestandaardiseerde online vragenlijst. Hiervan vielen nog 43 meldingen af omdat deze geen Artikel 26-meldingen waren, waarna 133 scabiësmeldingen zijn geïncludeerd in de analyse (Figuur 4).
Over de onderzoeksperiode is een stijgende trend zichtbaar in het aantal meldingen: van drie in 2019 tot 57 in 2024. Wanneer tevens de beschikbare gegevens over 2025 (1 januari tot en met 13 maart) worden meegenomen in de analyse en vergeleken met dezelfde periode in voorgaande jaren (2019–2024), wordt een vergelijkbare toename in het aantal meldingen waargenomen (Bijlage 2).Daarnaast is een seizoenspatroon herkenbaar, met een piek in de maanden september tot en met maart.
Figuur 4: Aantal Artikel 26 scabiësmeldingen per maand van 1 januari 2019 t/m 13 maart 2025, regio Utrecht. In 2020 waren er geen meldingen van scabiës.
*jaar niet compleet
Figuur 5: Aantal Artikel 26 scabiësmeldingen binnen kinderdagopvanglocaties en basisonderwijs, per type organisatie, per jaar van 1 januari 2019 t/m 13 maart 2025, regio Utrecht. In 2020 waren er geen meldingen van scabiës.
*jaar niet compleet
Beschrijving van meldingen
De helft van de meldingen kwam van kinderdagverblijven, gevolgd door basisonderwijs, buitenschoolse opvang en speciaal onderwijs (Tabel 1; Figuur 5). Bij 96 (72%) meldingen was de index een kind en bij 37 (27%) een medewerker. Op basisscholen waren alle indexen kinderen, terwijl dit bij kinderdagopvanglocaties ongeveer de helft zo was (n=34, 52%).
Bij 54 (41%) meldingen was de eerste ziektedag van de index bekend. De mediane duur tussen de eerste ziektedag en de melding bedroeg drie weken (interkwartielafstand 2 – 8).
Elke melding kon één index én eventueel secundaire gevallen omvatten (Tabel 1). De meeste meldingen omvatten één geval van scabiës. Bij de 96 meldingen met een kind-index traden in 25 gevallen (26%) één of meer secundaire gevallen op, tegenover 3 van de 37 (8%) meldingen bij medewerker-indexen. In totaal waren er 40 secundaire gevallen geregistreerd binnen deze 28 meldingen (Tabel 2). Wanneer deze optraden, gebeurde dit zowel binnen als buiten het gezin, waarbij secundaire gevallen buiten het gezin relatief vaak voorkwamen (Tabel 2). Secundaire gevallen werden vooral geregistreerd bij kinderen, waarbij de verdeling binnen en buiten het gezin ongeveer gelijk was en gevallen buiten het gezin voornamelijk voorkwamen binnen dezelfde groep of klas. Slechts een klein deel van de secundaire gevallen was een medewerker (25%).
| Totaal aantal meldingen | n (%) | |
|---|---|---|
| 133 (100%) | ||
| Type instelling die melding deed van scabiës | Basisonderwijs | 45 (34%) |
| Buitenschoolse opvang | 16 (12%) | |
| Kinderdagopvang | 66 (50%) | |
| Speciaal onderwijs | 6 (5%) | |
| Totaal aantal gevallen binnen de melding | 1 | 105 (79%) |
| 2 | 18 (14%) | |
| 3 | 5 (4%) | |
| 4 | 4 (3%) | |
| 5 | 1 (1%) | |
| Index | Kind | 96 (72%) |
| Kind waarvan meldingen met secundaire gevallen | 25 (26%) | |
| Personeel | 37 (28%) | |
| Personeel waarvan meldingen met secundaire gevallen | 3 (8%) | |
| Eerste ziektedag van index bekend | Ja | 54 (41%) |
| Nee | 79 (59%) | |
| Aantal weken tussen eerste ziektedag van de index en de melding (mediaan, IQR) (1 onbekend) | 3 (2-8) | |
| Uitvoerder diagnostiek voor index | GGD/scabiëspoli | 4 (3%) |
| Dermatoloog | 26 (20%) | |
| Huisarts | 61 (46%) | |
| Huisartsassistente | 1 (1%) | |
| "Professional" | 1 (1%) | |
| Onbekend | 40 (30%) | |
| Diagnostiek methode bij index | Geen | 6 (5%) |
| Dermatoscopie | 14 (11%) | |
| Microscopie | 3 (2%) | |
| Klinische blik | 35 (26%) | |
| D.m.v. foto/video | 3 (2%) | |
| Telefonisch (O.b.v. verhaal/epi-link) | 4 (3%) | |
| Onbekend | 68 (51%) | |
| Doorverwijzing index voor diagnostiek | Niet doorverwezen | 117 (88%) |
| Naar dermatoloog | 5 (4%) | |
| Naar huisarts | 5 (4%) | |
| Naar GGD/scabiëspoli | 6 (5%) | |
| Behandeling van index | Geen | 6 (5%) |
| Een combinatie van permetrine en ivermectine | 13 (10%) | |
| Alleen permetrine | 32 (24%) | |
| Eerst permetrine, later benzylbenzoaat | 1 (1%) | |
| Alleen ivermectine | 10 (8%) | |
| Onbekend | 71 (53%) | |
| Adviezen GGD aan instelling | Geen adviezen | 25 (19%) |
| Geen monitoring | 1 (1%) | |
| Alleen monitoring (mondeling) | 44 (33%) | |
| Alleen monitoring (brief) | 39 (29%) | |
| Preventief behandeladvies en monitoring (brief) | 24 (18%) | |
| Duur monitoring | 2 weken | 2 (2%) |
| 6 weken | 47 (35%) | |
| 11 weken | 1 (1%) | |
| 12 weken | 13 (10%) | |
| Niet van toepassing | 7 (5%) | |
| Onbekend | 63 (47%) | |
| Nieuwe gevallen na monitoring | Nee | 70 (53%) |
| Ja, binnen de instelling | 13 (10%) | |
| Onbekend | 50 (38%) | |
| Recidief/aanhoudende scabiës bij de index | Nee | 68 (51%) |
| Ja | 15 (11%) | |
IQR: interkwartielafstand
| Secuncaire gevallen binnen en buiten het gezin | n% | |
|---|---|---|
| Totaal aantal secundaire gevallen | 40 (100%) | |
| Kind of personeel | Kind | 30 (75%) |
| Kind waarvan binnen gezin van de index | 14 (47%) | |
| Kind waarvan buiten gezin van de index | 16 (53%) | |
| Personeel (allen buiten gezin van de index) | 10 (25%) | |
| Uitvoerder diagnostiek | Geen | 1 (3%) |
| Dermatoloog | 9 (23%) | |
| Huisarts | 17 (43%) | |
| Huisarts en dermatoloog | 2 (5%) | |
| Niet van toepassing | 1 (3%) | |
| Onbekend | 10 (25%) | |
| Diagnostiek methode | Dermatoscopie | 7 (18%) |
| Microscopie | 2 (5%) | |
| Klinische blik | 6 (15%) | |
| D.m.v. foto/video | 2 (5%) | |
| Telefonisch (O.b.v. verhaal/epi-link) | 1 (3%) | |
| Onbekend | 22 (55%) | |
| Dermatoscopie | 7 (18%) | |
| Microscopie | 2 (5%) | |
| Klinische blik | 6 (15%) | |
| D.m.v. foto/video | 2 (5%) | |
| Telefonisch (O.b.v. verhaal/epi-link) | 1 (3%) | |
| Onbekend | 22 (55%) | |
| Behandeling | Geen | 1 (3%) |
| Een combinatie van permetrine en ivermectine | 2 (5%) | |
| Alleen permetrine | 15 (38%) | |
| Alleen benzylbenzoaat | 1 (3%) | |
| Onbekend | 21 (53%) | |
Diagnostiek
Bij het merendeel van de meldingen was bekend wie de diagnostiek bij index uitvoerde, waarbij huisartsen en dermatologen de belangrijkste rol speelden (Tabel 1).
Ook de diagnostische methode was in ongeveer de helft van de meldingen bekend. De diagnose werd meestal op basis van klinisch beeld gesteld (i.e. klachten en huidafwijkingen met het blote oog). GGD regio Utrecht heeft van de 133 meldingen, 16 indexen (12%) doorverwezen naar een professional voor diagnostiek (Tabel 1). De overige indexen (117; 88%) waren reeds gezien door een professional, of waren al gestart met behandeling; een deel werd zonder specifieke reden niet doorverwezen.
Voor een deel van de secundaire gevallen was eveneens informatie beschikbaar over de uitvoerder en methode van diagnostiek, waarbij een vergelijkbaar patroon zichtbaar was als bij de indexen (Tabel 2).
Behandeling
Voor minder dan de helft van de meldingen was informatie beschikbaar over behandeling van index voorafgaand aan contact met de GGD. In het merendeel van de indexen was al gestart met behandeling, waarbij permetrine het meest gebruikte middel was (Tabel 1). Ook voor minder dan de helft van de secundaire gevallen was informatie beschikbaar over behandeling, waarbij permetrine ook de meest voorkomende behandeling was (Tabel 2).
Handelingsperspectief: monitoring en adviezen
Bij 83 meldingen (62%) adviseerde GGD regio Utrecht een groep of klas te monitoren (Tabel 1). De geadviseerde monitoringsduur varieerde, maar was meestal 6 weken. Bij meer dan de helft van de adviezen werd een monitoringsbrief verstrekt, maar regelmatig waren de adviezen mondeling. Naast monitoring werd bij 24 meldingen ook preventief behandeladvies gegeven door de GGD aan de desbetreffende groep of klas.
Voor een deel van de meldingen was de uitkomst na de monitoringsperiode bekend. In de meeste gevallen traden geen secundaire gevallen op. Secundaire gevallen waren relatief beperkt en traden alleen op binnen de instelling. In een deel van de meldingen bleven klachten bij index bestaan (Tabel 1).
Binnen de subgroep van 24 meldingen waarin preventief behandeladvies werd gegeven, traden ook meestal geen secundaire gevallen op (19; 79%). In deze groep werd bij 10 meldingen (42%) aanhoudende of terugkerende klachten bij index vastgesteld.
Discussie
Dit onderzoek bevestigt ons vermoeden van een toename van het aantal scabiësmeldingen op kinderopvanglocaties en basisscholen binnen GGD regio Utrecht tussen januari 2019 en half maart 2025. Het aantal meldingen steeg van drie in 2019 naar 54 in 2024, een achttienvoudige toename in vijf jaar.
Deze trend sluit aan bij landelijke signalen van een groeiende scabiësincidentie in de eerstelijnszorg en bij Europese surveillancedata, die in meerdere landen sinds 2012 een aanhoudende stijging tonen, hoewel voor zover ons bekend geen gegevens voor 2024 en 2025 zijn gepubliceerd (3, 4, 5, 6, 7, 8).
Opvallend is dat in de Nederlandse cijfers van Nivel Zorgregistraties tussen 2023 en 2024 juist een lichte daling in de totale incidentie zichtbaar is na een jarenlange stijging. Deze daling wordt met name gedreven door een afname onder jongvolwassenen tussen 20 – 29 jaar, terwijl in de jongere leeftijdsgroepen nog steeds een stijging zichtbaar is (9).
Dit sluit aan bij onze bevinding dat de toename in meldingen vooral zichtbaar is binnen kinderopvanglocaties. Daar nam het aantal meldingen toe van vier in 2021 tot dertig in 2024. Deze toename moet worden geplaatst in de context van de COVID-19-pandemie, waarin de GGD zichtbaarder werd als meldpunt. Dit kan hebben bijgedragen aan een hogere meldingsbereidheid.
Opvallend is dat de Nivel-huisartsendata hier ook een ander beeld laten zien. Ondanks dat de verschillen klein zijn en deze niet statistisch getest zijn, ligt de incidentie onder kinderen van
5 – 9 jaar (basisschoolleeftijd) vrijwel ieder jaar hoger dan onder kinderen van 0 – 4 jaar (kinderdagopvangleeftijd), met uitzondering van 2023 waarin de incidentie in de jongste leeftijdsgroep iets hoger lag. In 2024 was de incidentie in beide groepen gelijk (9). Desondanks ontvingen wij in de periode 2019 t/m 2025 structureel vaker meldingen vanuit kinderdagverblijven dan vanuit basisscholen.
Naast de vastgestelde stijging binnen kinderdagopvanglocaties en basisonderwijs werd ook een terugkerend seizoenspatroon waargenomen, waarbij het aantal meldingen hoger lag in de periode september – maart, vergelijkbaar met de trend die in huisartsgegevens is beschreven (9). Een mogelijke verklaring voor dit patroon is de lange incubatietijd van scabiës, waardoor besmettingen in de zomer, wanneer door luchtigere kleding meer huid-op-huidcontact kan plaatsvinden (12), pas maanden later tot meldingen leiden. Een mogelijke andere verklaring is dat schurftmijten bij lagere tempraturen (winter) langer zonder gastheer overleven dan bij hogere tempraturen (zomer) (1), wat kan leiden tot meer besmettingen in de winter. Aanvullend onderzoek naar transmissiedynamieken zou informatief en relevant zijn om dit seizoenseffect, en eventuele aanpassingen op communicatiestrategiën, beter te onderbouwen.
De beperkte diagnostiek maakt het onzeker of alle meldingen daadwerkelijk scabiës betreffen, terwijl toegenomen bekendheid en media‑aandacht kunnen hebben bijgedragen aan meer verdenkingen. Dit verklaart echter niet volledig waarom kinderopvang en basisscholen een toename laten zien. Een waarschijnlijkere verklaring is dat scabiës de afgelopen jaren frequenter en breder voorkwam onder de algemene bevolking. Zo was de stijging onder volwassenen van 30 – 44 jaar tussen 2023 en 2024 ook relatief sterk (9). Deze leeftijdsgroep heeft vaak kinderen in de leeftijd van 0 – 4 jaar, wat de kans vergroot dat scabiës wordt geïntroduceerd in omgevingen met intensief en herhaald huidcontact, zoals kinderdagopvanglocaties en scholen.
In het merendeel van de meldingen betrof de index een kind met (vermoedelijke) scabiës. Ook de meeste secundaire gevallen na monitoring traden op onder kinderen. Gezien de transmissieroute, waarbij intensief huid‑op‑huidcontact essentieel is, ligt het voor de hand dat het frequente en nauwe fysieke contact tussen jonge kinderen de overdracht versterkt. Dit sluit aan bij eerdere bevindingen, waarin wordt benadrukt dat juist jonge kinderen door hun intensieve onderlinge interacties een verhoogd risico hebben op scabiëstransmissie (13, 14). Daarnaast was de mediaan tussen eerste ziektedag en melding van de instelling aan de GGD relatief lang met 3 weken. Mogelijk wordt er bij kinderen met jeukklachten niet direct gedacht aan scabiës en kunnen jonge kinderen vaak niet goed aangeven dat ze klachten ervaren. Hierdoor wordt pas later een professional geraadpleegd. Deze vertraging kan ook leiden tot hogere mate van transmissie onder kinderen.
Opvallend is echter dat, ondanks het theoretisch hoge transmissiepotentieel in kindergroepen, binnen de onderzochte meldingen slechts een beperkt aantal secundaire gevallen werd gerapporteerd. Een mogelijke verklaring is dat de daadwerkelijke transmissie in deze instellingen geringer is dan verwacht, bijvoorbeeld doordat het intensieve en langdurige contact dat nodig is voor effectieve overdracht minder frequent voorkomt. Mogelijk vindt de transmissie thuis plaats, waar wij geen meldingen van krijgen.
Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat een deel van de meldingen geen scabiës betrof, maar een andere huidaandoening met een vergelijkbaar klinisch beeld (15), zoals eczeem (16). Slechts in 13% van de 133 meldingen werd de diagnose bevestigd met dermatoscopie of microscopie; in 26% werd de diagnose uitsluitend klinisch gesteld. In 51% van de meldingen was de gebruikte diagnostische methode onbekend, wat de interpretatie bemoeilijkt. Gezien de onrust die scabiësmeldingen kunnen veroorzaken en de inzet die uitbraakbestrijding vergt, is het zeer wenselijk om de diagnose in deze instellingen waar mogelijk te bevestigen door middel van dermatoscopie of microscopie (17, 18).
Het GGD-advies bij een (vermoedelijk) scabiësgeval op een kinderdagopvanglocatie of basisschool varieerde aanzienlijk. In het Stappenplan aanpak scabiës (schurft) kinderdagverblijf (19) staat dat de GGD aangeeft wie (preventief) behandeld moet worden in de desbetreffende groep. In een klein deel van de meldingen werd behandeladvies aan de groep gegeven, waarbij het ingeschatte transmissierisico niet opwoog tegen de belasting van een preventieve scabiësbehandeling.
De communicatie van adviezen vanuit de GGD bleek uiteenlopend: iets meer dan de helft van de meldingen ging gepaard met een schriftelijke begeleidende brief met monitoring en/of behandeladviezen, terwijl in de overige gevallen informatie mondeling werd overgebracht of onduidelijk was hoe het advies precies was gecommuniceerd.
Gezien het beperkte aantal secundaire gevallen en de onzekerheid van diagnoses lijkt een terughoudende behandelstrategie gewenst, met de nadruk op monitoring. Dit voorkomt onnodige behandeling bij klinische verdenkingen die niet altijd scabiës blijken te zijn. Daarnaast bleek zowel de advisering als de registratie binnen de GGD wisselend. Essentiële informatie, zoals ingezette diagnostiek, gegeven adviezen en eventuele behandeling, ontbrak regelmatig.
Het ontbreken van essentiële dossierinformatie heeft de analyse bemoeilijkt en de kwaliteit van het onderzoek beperkt. Onvolledige en onoverzichtelijke dossiervoering kan bovendien tot misinterpretatie bij het invullen van de vragenlijsten hebben geleid. Daarnaast was de diagnose in veel gevallen onzeker, waardoor niet kan worden uitgesloten dat meldingen ten onrechte als scabiës zijn geclassificeerd. Dit kan hebben bijgedragen aan een overschatting van het aantal meldingen. Tot slot dient de waargenomen stijging te worden geïnterpreteerd in de context van de COVID-19-pandemie, waarin de GGD zichtbaarder werd als meldpunt. Een toegenomen meldingsbereidheid kan hierdoor hebben geleid tot een vertekend beeld van de werkelijke toename.
Conclusie en aanbevelingen
Binnen GGD regio Utrecht is sinds 2019 een duidelijke toename van scabiësmeldingen in kinderopvang en basisonderwijs zichtbaar, vooral in de jaren 2023 en 2024. Opvallend is dat deze lokale ontwikkeling afwijkt van de landelijke trend, waarbij het totale aantal scabiës meldingen sinds 2024 juist afneemt. De diagnostische onderbouwing van meldingen was vaak beperkt, waardoor onzeker blijft of alle meldingen daadwerkelijk scabiës betroffen. Ondanks het theoretisch hoge transmissierisico bij jonge kinderen traden slechts weinig secundaire gevallen op. Dit onderstreept het belang van terughoudend beleid bij diagnostische twijfel, met de nadruk op alertheid en monitoring. Een gestandaardiseerde GGD‑werkwijze, inclusief vaste vragen over diagnostiek en behandeling en eenduidige dossiervoering, is nodig om communicatie, uitbraakmanagement en toekomstig onderzoek te verbeteren.
- Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI). Scabiës – LCI richtlijn. 23 jan 2024 [geraadpleegd 29 jul 2025].
- Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Schurft (scabiës). z.d. [geraadpleegd 13 aug 2025].
- Aždajić MD, Bešlić I, Gašić A, et al. Increased scabies incidence at the beginning of the 21st century: What do reports from Europe and the world show? Life. 2022;12(10):1598.
- van Deursen B, Hooiveld M, Marks S, et al. Increasing incidence of reported scabies infestations in the Netherlands, 2011–2021. (Plos One) One. 2022;17(6).
- Amato E, Dansie LS, Grøneng GM, et al. Increase of scabies infestations, Norway, 2006 to 2018. Euro Surveill. 2019;24(23).
- Reichert F, Schulz M, Mertens E, et al. Reemergence of scabies driven by adolescents and young adults, Germany, 2009–2018. Emerg Infect Dis. 2021;27(6):1693–6.
- Redondo Bravo L, Fernandez Martinez B, Gómez Barroso D, et al. Scabies in Spain: a comprehensive epidemiological picture. PLoS One. 2021;16(11).
- Laisnez V, Brosius I, Van Bortel W, et al. Increasing trend of scabies in Belgium, 2000–2023. Arch Public Health. 2025;83(197).
- Vanhommerig J, Overbeek L. Nivel cijfers ziekten op jaarbasis in Nederland – incidentie en prevalentie. 2026 [geraadpleegd 27 jan 2026].
- Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI). Artikel 26 meldingen Wpg instellingen. 2008 [geraadpleegd 29 jan 2026].
- R Core Team. R: A language and environment for statistical computing. Vienna: R Foundation for Statistical Computing; 2021.
- Ainslie, K. E. C., Hooiveld, M., & Wallinga, J. (2025). Estimation of the epidemiological characteristics of scabies. Nature communications, 16(1), 10524.
- Chiriac A, Diaconeasa A, Miulescu R, et al. Scabies in infants and children: a narrative review. Eur J Pediatr. 2024;183(6):2527–36.
- Osti MH, Sokana O, Phelan S, et al. Prevalence of scabies and impetigo in the Solomon Islands: a school survey. BMC Infect Dis. 2019;19(1):803.
- Brockman R, Leitenberger S. Review of scabies infestation and selected common cutaneous infections. Pediatrics in Review. 2021;42(1):21 32.
- Lugović Mihić L, Delaš Aždajić M, Bešlić I. Scabies cases misdiagnosed and treated as allergic diseases: itch as alarm. Acta Clin Croat. 2022;61:349 353.
- Iyengar L, Chong AH, Steer (alimentair consulent). Scabies: a clinical update. Med J Aust. 2024;221(10):558–63.
- Li FZ, Chen S. Diagnostic accuracy of dermoscopy for scabies. Korean J Parasitol. 2020;58(6):669–74.
- Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Stappenplan aanpak scabiës (schurft) voor kinderdagverblijf. 2025.
Infectieziekten Bulletin - september 2026
- LCI-richtlijnen door de jaren heen
- Tetanus: vergeten maar niet verdwenen
- Rukt schurft op in kinderdagopvanglocaties en basisscholen? Een analyse van meldingen binnen GGD regio Utrecht (2019 – 2025).
- De (on)mogelijkheden van rioolwateronderzoek – gebaseerd op ervaringen uit de praktijk bij kinderdagverblijven